Het is steevast de laatste vraag van mijn trainingen over storytelling: wat is het belangrijkste onderdeel van een verhaal? En echt, altijd krijg ik van alle cursisten het verkeerde antwoord.
Het is niet je boodschap, niet de spanningsboog. Ook niet dat je publiek zich makkelijk met de hoofdpersoon moet kunnen identificeren. Het is het begin van je verhaal. Want als je daar je lezer, kijker of luisteraar niet weet te raken, kan je boodschap nog zo goed zijn, je verhaal nog zo spannend en je hoofdpersoon nog zo herkenbaar: als jij slecht start, gaat je publiek niet finishen.
Lees ook: Storytelling: Hoe warriger je verhaal, hoe groter de kans dat mensen dat zelf gaan invullen
Kijk naar James Bond
Kijk naar een detective. Kijk naar James Bond. Kijk naar elke goede film of documentaire. Sla een boek open of lees de eerste regels van een reportage. De eerste minuten, de eerste regels: ze zetten je direct aan.
Als een film start met iemand die zich nog eens omdraait in bed of te lang uit het raam staart, dan zap je snel naar iets anders. Als je een boek in de boekhandel openslaat en de eerste regels pakken je niet, leg je het weg en pak je een andere roman.
Als iemand een presentatie begint met: „Goedemorgen, goed geslapen allemaal? Vandaag ga ik het met jullie hebben over de implementatie van ons nieuwe registratiesysteem”, dan voelt iedereen in de zaal zichzelf diep van binnen al een paar centimeter achterover zakken. Niet omdat het onderwerp hen niet interesseert of de spreker per se slecht is, maar omdat zo’n opening je brein onmiddellijk doet inkakken.
Begin met iets onverwachts en bij je publiek gaat intern een lampje aan
Cor Hospes Storytellingexpert
Een biologisch kantelpunt
Je eerste dertig seconden zijn geen formaliteit, maar een soort biologisch kantelpunt. Je brein is namelijk lui. Uit efficiëntie. Het probeert constant energie te besparen. Alles wat voorspelbaar voelt, krijgt geen aandacht. Alles wat nieuw, spannend of onverwacht is, krijgt prioriteit.
Start daarom je verhaal met iets dat schuurt. Begin met iets onverwachts, en zie, bij je publiek gaat intern een lampje aan. Gewoon, een kwestie van biologie.
Een van de stoffen die daarbij een rol speelt: noradrenaline. Een chemische boodschapper in je zenuwstelsel die je brein op scherp zet en jezelf ook letterlijk rechtop doet zitten. Die je in de ‘hé, even opletten’-modus brengt. Noradrenaline gaat los als het iets onverwachts of mogelijk belangrijks waarneemt, of iets hoort wat afwijkt van wat het is gewend.
Daarnaast raast er nog iets anders door je lijf: dopamine. Dat ken je vast als het gelukhormoon; het speelt een rol bij plezier en beloning. Maar in je brein fungeert het vooral als een neurotransmitter. Een aanjager die je hersencellen stimuleert om ook andere te activeren. Zodat je nieuwsgierig en ongeduldig blijft, en je wilt blijven weten hoe iets afloopt.
De laatste van dit trio: cortisol. Beter bekend als het stresshormoon. Maar toegediend in kleine beetjes doet het in je lijf iets heel nuttigs: het maakt je alert. Het helpt je focussen. Het zorgt dat informatie beter binnenkomt.
Die cocktail van noradrenaline, dopamine en cortisol zorgt voor aandacht, focus en betrokkenheid. Het creëert dat puntje-van-je-stoel-gevoel.
Het Zeigarnik-effect
Daarom maak je met een sterke opening het verschil. Het brengt je brein in een andere stand. Vooral als je begint met een vraag zonder direct antwoord te geven, met een verhaal dat midden in een spannend moment start of met een probleem zonder uitkomst. Echt, je hersens haten dat, omdat ze nou eenmaal willen weten hoe dat verhaal verder gaat.
In de psychologie staat dit bekend als het Zeigarnik-effect, vernoemd naar de Russisch-Litouwse psychologe Bluma Zeigarnik. Zij ontdekte dat je brein alert blijft zolang een verhaal of activiteit nog niet is afgerond. Het verlangt naar een ontknoping.
Daarom: begin je verhaal midden in een moment. Niks context, niks uitleg. Gewoon, bam, erin. „Drie jaar geleden zat ik in mijn auto op de parkeerplaats van een belangrijke klant en nee, ik durfde niet naar buiten.” Iedereen in de kamer of zaal voelt: hier zit een verhaal. Waarom durft hij niet naar binnen? Wat staat er op het spel? Wat gaat er gebeuren? Cortisol: aan. Noradrenaline: aan. Dopamine: aan.
Dat gebeurt ook als je begint met een onverwachte uitspraak of prikkelend statement. „De beste beslissing in mijn leven begon met een enorme mislukking.” Zo’n zinnetje botst met wat je publiek denkt te weten. En verwarring betekent aandacht.
Of begin met een persoonlijke vraag die te herkenbaar is om te negeren. „Wie van jullie heeft wel eens ja gezegd tegen iets waar je eigenlijk nee had willen zeggen?” Bijna iedereen herkent dat. En op het moment dat mensen in hun geheugen gaan graven naar zo’n moment, heb je ze betrokken. Zitten ze in het onderwerp. Je hebt ze mee.
Wanneer jij hun interne aandachtsantenne nog niet hebt bereikt, voelt je verhaal voor je publiek vooral als werk
Cor Hospes Storytellingexpert
Aandacht, betrokkenheid, inhoud
Met een sterke opening van een verhaal speel je in op de werking van je brein. Eerst aandacht. Dan betrokkenheid. Dan pas inhoud. Natuurlijk, je kunt mensen direct naar de inhoud sturen, maar wanneer jij hun interne aandachtsantenne nog niet hebt bereikt, voelt je verhaal voor je publiek vooral als werk. Ze moeten moeite doen om erbij te blijven.
Als je begint met een moment, prikkel of vraag, gebeurt het tegenovergestelde. Dan komt de aandacht vanzelf. Dan wil het brein mee. En als mensen eenmaal luisteren, verandert alles. Je verhaal komt beter binnen. Je boodschap blijft beter hangen. Mensen onthouden wat je zegt. Omdat je brein al heeft besloten: dit is belangrijk. Hier moet ik bij zijn, en bij blijven.
Lees en luister ook: Hoe word ik beter in presenteren?
Ontvang elke week het beste van BusinessWise in je mailbox. Schrijf je hier nu gratis in: