Je moet wel onder een steen hebben geleefd wil je niet het met AI-gegenereerde filmpje hebben gezien waarin Willem-Alexander en Máxima tijdens hun recente logeerpartijtje het Witte Huis op stelten zetten. Lachen, ja, hoe onze vorst in het zwembad watert, hoe het royale duo in de bureaula de ontbrekende Epstein-files vindt en hoe ze er uiteindelijk met de wereldbeker voetbal en wat blonde lokken van Trump vandoor gaan.
De menselijke behoefte aan een inkijkje
De video appelleert aan het verlangen een inkijkje te krijgen in hoe het er werkelijk bij ome Donald aan toeging. Wat had ons koningspaar bijvoorbeeld als geschenk meegenomen? Zouden ze kunnen tippen aan de komodovaranen die de vroegere Indonesische leider Soeharto graag aan Amerikaanse presidenten cadeau deed? Of hadden ze toch gewoon iets Delftsblauws in de PH-GOV geladen? En hoe ging het gesprek aan tafel nou precies?
We hoorden Rob Jetten voor de camera’s zeggen dat duidelijk is geworden dat de meningen verschillen. Maar was Willem-Alexander inderdaad zo uitgesproken, of zat er naast spinaziesoep en Noordzeetong vooral ook meel in z’n mond?
Zelf was ik vooral dolgraag een fly on the wall geweest in de slaapkamer van het koninklijk paar. Niet met perverse intenties, wees gerust, maar gewoon om te horen hoe het stel de avond in alle eerlijkheid evalueerde. Want hoewel het best denkbaar is dat de Lincoln bedroom is voorzien van afluisterapparatuur, kun je toch niet anders dan voorstellen dat ze saampjes met verwondering het diner verteerden. ‘Tjonge, wat is Melania strakgetrokken hè? Kon jij wel zien wanneer ze lachte?’ ‘En Donald dan, ik dacht dat ik Oranje was, maar vergeleken met hem...’
Roddelen als sociale lijm op kantoor
Het zou gek zijn als het anders ging. Roddelen is namelijk net zo menselijk als lachen, huilen en poepen. Het is geen afwijking, maar heeft een functie. Ook op de werkvloer. Het verbroedert, ontlaadt en helpt je ontdekken of jouw gedachten stroken met de communis opinio.
Onderzoek suggereert zelfs dat het slecht nieuws is als er op het werk niet wordt geroddeld. Dat is namelijk een teken dat mensen zich niet verbonden voelen met elkaar. Medewerkers die überhaupt nooit roddelen zou je kunnen aanmerken als sociaal onbekwaam. De negatieve connotatie van roddelen is dus misplaatst. Wat daarbij vast niet helpt is dat het vaak wordt gedefinieerd als kwaadsprekerij. Dat terwijl het ook positief kan zijn. ‘Viel het jou ook op hoe soepel Marietje die presentatie deed? Hoe krijgt ze het voor elkaar!’
De valkuil van het roddelverbod
Positief is overigens niet de ervaring die ik eens had, toen een mail waarin ik met een collega leidinggevende een medewerker besprak, bij die betreffende persoon terechtkwam. Pijnlijk, want ik koos in dat bewuste bericht beslist andere woorden dan ik tijdens een direct feedbackgesprek in de mond zou nemen. Een nederig leermoment, ja.
Ik vind het dan ook prima als organisaties in hun personeelshandboek opnemen dat je niet anders over mensen mag praten, dan je zou doen met die mensen. Maar sommige organisaties gaan verder en vaardigen een expliciet verbod uit op roddelen. Volgens de strikte definitie betekent dit dat je niet achter de rug van mensen om mag praten. Dat vind ik dan weer een slechte maatregel. Want hoewel het nobel klinkt, blijkt het in de praktijk niet de gewenste bescherming te bieden, maar juist negatieve effecten te hebben.
Wie geroddel verbiedt miskent dat geroddel als spiegel kan dienen
Paul van Riessen
Zo vinden mensen het bijvoorbeeld lastig melding te maken van ongewenst gedrag van een collega als ze niet eerst anderen als klankbord kunnen gebruiken. In een enkel geval bleek het management de regel aan te grijpen om werknemers te verbieden nog langer onderling onderwerpen als salarissen, werktijden en andere arbeidsomstandigheden te bespreken. Iets dat de salarishoogte, de werktijden en de overige arbeidsomstandigheden beslist niet ten goede kwam.
Geroddel als spiegel voor de organisatie
Wie geroddel verbiedt, miskent bovendien dat geroddel als spiegel kan dienen. Het kan er bijvoorbeeld op wijzen dat er iets schort aan de bedrijfsvoering, dat er een gebrek is aan communicatie en dat er moet worden gewerkt aan herstel van vertrouwen. Het is daarmee een symptoom. Iets om serieus te nemen, niet om de kop in te drukken.
Een verbod vraagt bovendien iets onmenselijks van z’n mensen. Want eigenlijk ken ik maar één persoon van wie ik de indruk heb dat hij niet achter de rug van mensen om praat, en dat is – daar is hij weer – Donald Trump. Van hem weten we immers dat hij zelfs de vreselijkste dingen over anderen gewoon in het openbaar zegt. Denk bijvoorbeeld even aan de anti-zegen die hij uitsprak over de Paus, een dag voordat onze vorst op visite kwam. Aan de journaliste die hij met een ‘quiet, piggy’, de mond snoerde, aan de ooit door hem tot minister benoemde Rex Tillerson (‘dumb as a rock’) of aan Jerome Powell, de voorzitter van de centrale bank die door Trump ‘a major loser’ wordt genoemd.
Het zijn dergelijke voorbeelden die ervoor zorgen dat het echte schrikbeeld voor mij geen wereld is waarin zo nu en dan wordt geroddeld, maar juist een wereld waarin dat niet gebeurt. Een wereld waarin iedereen zegt wat hij denkt, altijd en overal. Een wereld vol Trumps. Dan verlang je vanzelf weer terug naar de gefluisterde gesprekken bij het koffieapparaat.
Ontvang elke week het beste van BusinessWise in je mailbox. Schrijf je hier nu gratis in: